Reumapatientenbond

Sternocostoclaviculaire hyperostose (SCCH)

SCCH is een zeldzame, chronische ontseking van het beenmerg. De onsteking is steriel, dat wil zeggen dat deze niet door bacteriën is veroorzaakt. De ontsteking doet zich vooral voor in het borstbeen, de sleutelbeenderen en de bovenste ribben. In sommige gevallen kunnen ook de wervelkolom of de kaak zijn aangetast. De botontsteking veroorzaakt lokaal een verhoogde botstofwisseling, d.w.z. versnelde botafbraak gevolgd door overmatige aanmaak van nieuw botweefsel: de hyperostose.

SCCH manifesteert zich door:
  • Rode huid en/of zwellingen in het sternocostoclaviculaire gebied. 
  • Pijn in de schouders of borst.
  • Beperkte beweeglijkheid van de schouders.
  • In 50% van de gevallen gaan de botafwijkingen van SCCH samen met steriele puisten (pustels) op de handpalmen en, of de voetzolen: pustulosis palmoplantaris. De huidafwijkingen hoeven niet gelijktijdig met de botafwijking op te treden.

Diagnose

De diagnose vindt plaats op basis van bovengenoemde, kenmerkende klinische verschijnselen samen met radiologische (CT-scan) en scintigrafische (bot-scan) afwijkingen in het sternocostoclaviculaire gebied. 
 
Therapie

Tot op heden is er geen definitieve behandeling voorhanden. Het doel van de behandeling van SCCH is het remmen van de chronische ontsteking en het wegnemen van de pijnklachten en de beperkingen in bewegelijkheid. In eerste instantie worden NSAIDs voorgeschreven (dit zijn ontstekingsremmende pijnstillers zoals ibuprofen, naproxen, diclofenac).  Deze hebben vaak succes in het begin van de ziekte. Sinds de jaren ’90 worden patiënten vaak behandeld door middel van intraveneuze toediening van bisfosfonaten (vooral pamidroninezuur). Deze remmen de botafbraak en de overmatige botopbouw, en onderdrukken de ontsteking. Antibiotica en corticosteroïden zijn meestal niet, of slechts kortdurend, werkzaam.

 

Meer informatie vindt u op de website van de SCCH